Rechtbank Amsterdam verklaart artikel 3, onder a, RWM onverbindend

wet-wapens-munitie-820x300
Foto via Shutterstock

Op 9 maart 2016 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de Regeling Wapens en Munitie (ECLI:NL:RBAMS:2016:1199). De rechtbank verklaarde artikel 3, onder a, van die regeling onverbindend, omdat de wet onvoldoende helder is.

De zaak betrof een verdachte die via het internet een luchtdrukgeweer had besteld. De verdachte is niet de typische verdachte die je je voorstelt als je een strafzaak bijwoont. De man komt zeer geleerd over, maakt aantekeningen wanneer de twee getuigen-deskundigen over de huidige wet- en regelgeving van de Wet Wapens en Munitie (WWM) en de Regeling Wapens en Munitie (RWM) praten en blijkt later een wetenschapper op het gebied van epidemiologie te zijn. De verdachte beoefent al veertig jaar – zonder problemen – de schietsport. Een veroordeling in de strafzaak zal gevolgen hebben voor zijn baan.

Huidige wet- en regelgeving

De WWM regelt het vervaardigen, verhandelen, vervoeren, voorhanden hebben, dragen etc. van wapens en munitie. De RWM specificeert de WWM. Wat volgens de wet onder een “wapen” dient te worden verstaan, is te vinden in artikel 2, eerste lid, WWM. Dit artikel bevat een indeling van wapens in vier categorieën. Onder categorie IV, onder 4 ͦ staan de luchtdrukwapens vermeld. Een categorie IV-wapen mag zonder vergunning worden in- en uitgevoerd, overgedragen en voorhanden worden gehouden. Het valt namelijk niet onder het verbod dat geldt voor categorie I wapens (artikel 13, eerste lid, WWM) of categorie II of III wapens (artikel 14, eerste lid, WMM). So far, so good voor de verdachte.

Er kleeft echter één maar aan. Een luchtdrukwapen kan namelijk wel onder categorie I wapens vallen, indien de Minister het wapen daarvoor heeft aangewezen (artikel 2, eerste lid, categorie I, onder  7 ͦ WWM). Dit kan de Minister doen wanneer hij vindt dat het luchtdrukwapen zodanig op een wapen lijkt dat het voor bedreiging en afdreiging geschikt is. Artikel 3, onder a, RWM specificeert de bevoegdheid van de Minister in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7 ͦ WWM. Daarin is bepaald dat onder meer als voorwerpen van categorie I, onder 7 ͦ worden aangewezen: voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens. Dit betekent dus dat het doen binnenkomen van een luchtdrukwapen bij wet is toegestaan, tenzij het gaat om een luchtdrukwapen dat een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen.

Het onderzoek ter terechtzitting

Het OM heeft in de zaak twee getuigen-deskundigen opgeroepen: Jás van Driel, expert op het gebied van wapens en prof. mr. Henny Sackers, hoogleraar bestuurlijk sanctierecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Sackers werd door het OM opgeroepen om de huidige wet- en regelgeving en de wetsgeschiedenis van de WWM en RWM toe te lichten. Sackers is van mening dat de wet- en regelgeving onvoldoende duidelijk is, vooral ten aanzien van de voorgaande regelgeving. Voorheen bestond er een lijst met daarop elk type wapen dat verboden was in Nederland. Nu deze lijst voor de overheid niet meer bij te houden was vanwege de constante nieuwe productie van wapens, besloot men de wet te wijzigen en in plaats van de lijst een algemene terminologie te hanteren. Sackers is echter van mening dat termen zoals sprekende gelijkenis, onvoldoende duidelijk zijn.

Bij de beoordeling of sprake is van een sprekende gelijkenis moet volgens de officier van justitie worden uitgegaan van het oordeel van de gemiddelde mens en in de context van bedreiging. Om te kijken of het luchtdrukgeweer in kwestie een sprekende gelijkenis vertoond met een vuurwapen, wilden de rechters het wapen bekijken. Het luchtdrukgeweer in kwestie was echter al vernietigd. Ter terechtzitting moest men het daarom doen met foto’s van het luchtdrukgeweer en met een soortgelijk luchtdrukgeweer, dat onder speciale begeleiding de rechtszaal in werd gebracht. Het ontbreken van het luchtdrukgeweer ter terechtzitting maakt dat een nauwkeurige vergelijking met andere wapens volgens Van Driel niet goed mogelijk is. Toch kwam Van Driel, op basis van de foto en zijn kennis op het gebied van wapens, tot het oordeel dat het luchtdrukgeweer geen sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen. Het luchtdrukgeweer is volgens Van Driel geen exacte kopie van een bepaald merk en model vuurwapen en daarnaast bevat het luchtdrukgeweer ook geen niet-functionele onderdelen die de bedoeling hebben om het luchtdrukwapen het uiterlijk van een vuurwapen te geven.

De raadsman verwijst naar de bevindingen van de getuige-deskundigen en stelt zich hiertoe op het standpunt dat de doorsneeburger met de WWM, ten aanzien van luchtdrukwapens, niet weet waar hij aan toe is. De WWM staat in beginsel het bezit van een luchtdrukgeweer toe, terwijl het bezit van een luchtdrukgeweer niet is toegestaan, indien het zodanig op een vuurwapen lijkt. Het criterium voor de beoordeling of het wapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is (de sprekende gelijkenis) is niet onderscheidend en daarmee niet toepasbaar op luchtdrukgeweren. Een luchtdrukwapen heeft namelijk, onvermijdelijk, een aantal overeenkomsten met een vuurwapen. Zo heeft een luchtdrukwapen ook een loop, een kolf en een trekker nodig om ermee te kunnen schieten.

Uitspraak van de Rechtbank Amsterdam

Op 9 maart 2016 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in deze zaak. De rechtbank komt tot de conclusie dat de huidige regeling, zoals vervat in artikel 3, onder a, van de RWM te vaag is. Het is volgens de rechtbank niet duidelijk voor de ‘gemiddelde’ koper om na te gaan of zij met het kopen van een luchtdrukwapen de wet schenden. De rechtbank is van mening dat de vaagheid met name betrekking heeft op de term sprekende gelijkenis uit artikel 3, onder a, RWM. Nu deze term een bestanddeel is in de tenlastelegging en dus bewezen dient te worden, zal de rechtbank dit gedeelte niet bewezen achten en daarmee komen tot vrijspraak. Aldus is de wet onvoldoende helder, zodat gelet op het lex certa beginsel, artikel 3, onder a, van de RWM onverbindend is met betrekking tot luchtdrukwapens.

De rechtbank Amsterdam heeft een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot de wetgeving omtrent luchtdrukwapens. De bal ligt nu bij de wetgever om helderheid te verschaffen over het criterium van de sprekende gelijkenis.

 

Prof. mr. Henry Sackers had ons graag te woord gestaan over de uitspraak die de Rechtbank in deze zaak heeft gedaan. Gezien het feit dat hij in deze zaak getuige-deskundige is, is hij enkel bevoegd tot het doen van uitspraken over de zaak, indien geen hoger beroep is ingesteld. Ik heb meerdere pogingen ondernomen, zowel bij het OM als bij de advocaat, om erachter te komen of hoger beroep was ingesteld; helaas zonder resultaat. Misschien dat prof. mr. Sackers later in het jaar ons nog te woord zal staan.

Een gedachte over “Rechtbank Amsterdam verklaart artikel 3, onder a, RWM onverbindend”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *