Het opschorten van EVRM-rechten tijdens militaire missies in het buitenland? De Britten willen ook hier een (tijdelijk) Brexit

Adams cartoon, April 26.
Adams cartoon, April 26.

Terwijl de Britten geleidelijk beginnen met de voorbereidingen voor het inroepen van Artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, kondigde de Britse minister van Defensie Michael Fellon vorige week, tijdens de conferentie van de Britse Conservatieve Partij, aan dat het Verenigd Koninkrijk juridische maatregelen moet nemen om Britse soldaten te beschermen tegen ergerlijke juridische claims. Dit zou volgens Fellon betekenen dat een aantal artikelen uit het EVRM, tijdens toekomstige gewapende conflicten, worden opgeschort. Een analyse.

Artikel 1 EVRM stelt dat contractspartijen “shall secure to everyone within their jurisdiction the rights and freedoms defined in Section I of this Convention”. Dit betekent onder meer dat nationaliteit irrelevant is voor het Verdrag. Iedere persoon die zich binnen de effectieve controle van een staat, die partij is bij het Verdrag, bevindt, heeft het recht om de artikelen uit het EVRM in te roepen. Daarnaast moeten de contractspartijen die vrijheden en rechten aan alle personen binnen hun grondgebied garanderen. Jurisprudentie van het EHRM laat zien dat artikel 1 EVRM ook geldt wanneer staten handelen buiten hun eigen landsgrenzen. En dit beginsel van extraterritoriale jurisdictie is precies waar de Britten mee in de maag zitten. Extraterritoriale jurisdictie betekent dat het EVRM ook buiten de grenzen van contractpartijen kan worden ingeroepen, bijvoorbeeld wanneer militairen “effective control” uitoefenen op buitenlands grondgebied. Een aantal voorbeelden uit de jurisprudentie van het EHRM.

De zaak Loizidou tegen Turkije[1] speelde zich af op Cyprus. De Cypriotische Loizidou was tijdens de Turkse invasie op Cyprus van 1974 uit haar huis gedwongen. In de twintig jaar die daarop volgde, probeerde ze telkens naar haar huis terug te keren. Dit werd echter niet toegelaten door de Turkse troepen, die sinds de invasie het noorden van Cyprus bezet hielden. Dit deden zij overigens zonder het gebied te claimen. Het Hof overwoog dat de jurisdictie niet beperkt is tot het nationale territorium van de contractspartijen. De verantwoordelijkheid van de contractspartij kan ook ontstaan als gevolg van een militaire actie – rechtsgeldig of niet – wanneer het effectieve controle over een gebied buiten haar eigen territorium uitoefent. De plicht van een staat om de vrijheden en rechten van het EVRM te garanderen, vloeit dan voort uit het feit dat zij effectieve controle uitoefent. Het Hof kwam tot de conclusie dat Turkije effectieve controle over het noorden van Cyprus uitoefende door zijn militaire aanwezigheid, met het gevolg dat Turkije verantwoordelijk was.

Hetzelfde gold voor de zaak Ilaşcu en anderen tegen Moldavië en Rusland.[2] De klagers waren in 1992 gearresteerd door personen, waarvan sommige uniformen droegen van het voormalige veertiende leger van de Sovjet-Unie. Klagers werden onder andere beschuldigd van anti-Sovjetactiviteiten en het illegaal bestrijden van de legitieme regering van de staat van Transnistrië. In Transnistrië, een provincie in het oosten van Moldavië, had de Moldavische regering geen controle, onder andere door dat Russische leger. Deze situatie is overigens niet hetzelfde als de Krim, waar de Russen het gebied wél hebben geclaimd. De Russische regering heeft Transnistrië niet geclaimd, maar zijn daar “enkel” aanwezig. Opnieuw werd aan het Hof de vraag voorgelegd wie de effectieve controle had. Het Hof overwoog dat, tijdens het conflict in Moldavië in 1991-92, strijdkrachten van het veertiende leger van de Sovjet-Unie die gestationeerd waren in Transnistrië, gevochten hadden met en namens de Transnistrische separatisten. Zelfs na de wapenstilstand bleven de Russische autoriteiten militairen leveren en aan de separatisten politieke en economische ondersteuning bieden. Ook bleef het Russische leger gestationeerd in Transnistrië. Als gevolg van al deze feiten was er volgens het Hof een continuerende en ononderbroken link van verantwoordelijkheid aan Russische kant. Er was dus ook hier sprake van effectieve controle.

Dit zijn echter allemaal zaken die zich, welk land dan ook de effectieve controle uitoefent, afspelen binnen de grenzen van de Raad van Europa. Maar ook buiten die grenzen moeten de contractspartijen zich aan de vrijheden en rechten van het EVRM houden wanneer zij effectieve controle over dat gebied uitoefenen. Dit blijkt onder meer uit de zaak Al-Saadoon en Mufdhi tegen het Verenigd Koninkrijk.[3] Het Hof overwoog hier dat de Britse autoriteiten totale en exclusieve controle hadden in Irak. Ten eerste op grond van het gebruik van strijdkrachten, en ten tweede op grond van het recht, namelijk de detentie faciliteiten waarin de klagers vast werden gehouden. En zo moeten de Britten dus de rechten uit het EVRM ook respecteren tijdens militaire missies in het buitenland.

De Britten willen dus (tijdelijke) afzien van de rechten van het EVRM tijdens militaire missies. De Britse minister van Defensie slaat echter – juridisch – de plank op een aantal plaatsen mis.

Ten eerste, de rechten uit de artikelen waar de minister van Defensie waarschijnlijk op doelt, zijn niet-opschortbare rechten. Artikel 2 EVRM, het recht op leven, is ook in een oorlogssituatie een plicht waar de Britten zich aan zullen moeten houden, behalve ingeval van rechtmatige oorlogshandelingen. Ook artikel 3 EVRM, waarin onder andere het verbod van marteling is vastgelegd, zullen de Britten moeten respecteren in oorlogstijd. En hoewel artikel 15 EVRM stelt dat, in een tijd van oorlog of noodtoestand die het bestaan van de staat bedreigt, de contractspartijen kunnen afwijken van de plichten uit het EVRM, is het niet juridisch mogelijk om op voorhand te zeggen dat dit voor alle toekomstige gevallen geldt. Uit jurisprudentie blijkt dat artikel 15 alleen kan worden ingeroepen voor zover dat strikt noodzakelijkheid was in die specifieke situatie. Uiteindelijk zal de Britse of Europese rechter per zaak uitkomst moeten geven of de opschorting wel écht noodzakelijk was.

Ten tweede, het EHRM kan helemaal geen individuen op de vingers tikken voor eventuele mensenrechtenschendingen. Het EHRM kan enkel de contractspartijen, dus de staten zelf, op de vingers tikken vanwege schendingen van het EVRM. Het argument van de Britse minister van Defensie om de Britsen troepen te beschermen tegen ergerlijke juridische claims is dus niet het juiste argument. De instantie die eventueel individuen kan vervolgen vanwege mensenrechtenschendingen, zoals oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, is het Internationaal Strafhof en niet het EHRM. En laat de Britse troepen nu juist onder vooronderzoek (de zgn. “preliminary examinations”) staan van ditzelfde Strafhof vanwege vermeende oorlogsmisdrijven in de oorlog in Irak.[4]

Alhoewel het plan om de EVRM-rechten (tijdelijk) op te schorten nog moet worden gepresenteerd, ben ik in ieder geval van mening dat de redenen voor dit plan juridisch niet kloppen. We zullen zien wat de Britten deze keer weer uit de hoge hoed toveren, maar gezien het Brexit debacle zal niks mij meer verbazen. Het blijven rare jongens… die Britten.

[1] Loizidou t. Turkije, no. 15318/89.

[2] Ilaşcu en anderen t. Moldavië en Rusland, no. 48787/99.

[3] Al-Saadoon en Mufdi t. VK, no. 61498/08.

[4] Zie onder andere https://www.icc-cpi.int/iraq en het Chilcot Report http://www.iraqinquiry.org.uk/the-report/

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *