Afscheidsrede Matthias Borgers

hr
Nieuwe gebouw van de Hoge Raad, Korte Voorhout Den Haag. Foto: Sebastiaan van Damme / rechtspraak.nl

Zes oude, bronzen raadsheren prijken weer prominent voor de ingang van de Hoge Raad. Hugo de Groot, Simon van Leeuwen, Ulricus Huber, Johannes Voet, Cornelis van Bijnkershoek en Joan Melchior Kemper waren de eersten die verhuisden naar het nieuwe gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout in Den Haag. Ze lijken tevreden met hun nieuwe plek voor het moderne pand, en misschien heeft het er ook wel mee te maken dat ze binnenkort dagelijks Matthias Borgers mogen begroeten.

Op 22 januari nam Matthias Borgers in het bijzijn van collega’s, vrienden, familie en belangstellenden afscheid als hoogleraar straf(proces)recht in de aula van de VU – vanaf januari is hij raadsheer bij de Hoge Raad. Geïnspireerd op het debuut van Voskuil wijst de titel van de rede Bij nader inzien nu op de vraag wat er gebeurt als de wetgever het ‘bij nader inzien’ niet eens is met hoe een rechtsregel wordt uitgelegd en toegepast door de rechter. Het gaat hierbij om gevallen waarin de wetgever kennelijk een andere of nadere betekenis van de al geldende wettelijke regel voor ogen heeft. Het kan tenslotte soms even duren voordat duidelijk is hoe de wettelijke regel precies uitwerkt in de jurisprudentie, bijvoorbeeld omdat bepaalde begrippen verhelderd moeten worden of omdat nadere uitleg van de rechter nodig is om de abstracte bepaling in de praktijk te verhelderen.

Als er sprake is van zo’n frictie tussen wat de wetgever beoogde en de daadwerkelijke uitwerking en uitleg van de regel door de rechter, kan daar op verschillende manieren op gereageerd worden. Het meest voor de hand liggend lijkt een wetswijziging te zijn; voldoet de geldende bepaling niet aan dat wat door de wetgever wenselijk wordt geacht, dan moet er een andere bepaling of nauwkeuriger formulering voor in de plaats komen. Maar het komt voor dat de wetgever zich uitlaat over een geldende regel zonder dat er (direct) sprake is van een wetswijziging. Zo grijpt de wetgever ook wel een wetsvoorstel bij een andere bepaling aan om een eerdere regel nog nader toe te lichten. Maar, vraagt Borgers zich af, hoe moet een dergelijke uitlating worden opgevat? Moet daar een dwingende betekenis aan worden gehecht of heeft het dezelfde waarde als iedere andere uitlating van elk willekeurig persoon die zich in de discussie mengt?

Een helder antwoord op deze vragen wordt door de wetgever niet gegeven. Uit de parlementaire stukken rond de wetswijziging van het DNA-onderzoek in strafzaken valt echter wel het standpunt van de minister af te leiden. Hij stelt zich op het standpunt dat ook buiten de wetswijziging om een nieuwe uitleg aan een geldende wettelijke bepaling kan worden gegeven. Naast rechterlijke uitspraken biedt bijvoorbeeld een nota van de minister aan de Tweede Kamer daar volgens hem ook ruimte voor.

En de rechter? Heeft hij zich hierover uitgelaten? Uit een arrest van de Hoge Raad blijkt dat de rechter er anders over denkt dan de minister en dat slechts een wetswijziging hem dwingt tot een andere uitleg. Zeker voor de strafrechter misschien ook niet verwonderlijk, nu het wetgevingsproces ruimte biedt voor discussie, reflectie en argumentatie. Bovendien speelt misschien ook mee dat de waan van de dag niet al te veel invloed moet krijgen op hoe de regels worden uitgelegd. Dit betekent echter niet dat de rechter geen betekenis mag hechten aan de uitlatingen. Hij is vrij dat wel te doen.

Uitlatingen van de wetgever over de uitleg van een geldende wettelijke regeling moeten niet worden opgevat als instructie of aanwijzing, maar helemaal zonder betekenis zijn ze ook niet, concludeert Borgers. Het is de rechter van wie wordt verlangd de wet uit te leggen binnen de hem gegeven kaders, maar het is niet zijn taak de rechtsontwikkeling naar eigen hand te modelleren. ‘Uiteindelijk,’ besluit Borgers, ‘staan de wetgever en de rechter er samen voor’.

Met het aansnijden van dit interessante onderwerp neemt Matthias Borgers afscheid van de VU en verruilt zijn hoogleraarstoga en –baret voor de toga van de Hoge Raad. Is dit het hoogste wat hij kan bereiken? Borgers is nog niet grijs en nog maar 42 jaar (veruit de jongste van alle leden van de Hoge Raad). Zijn dochter geeft het antwoord: misschien dat hij later nog wel ijsjes kan verkopen bij de McDonalds. Of zal er nog eens een bronzen beeld bij worden gegoten?

 

Wie geïnteresseerd is in de hele tekst van de rede kan binnenkort de hele tekst online vinden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *